Nieuwe roman voor Paulo Coelho

De beschermengel

Op 19 augustus is de nieuwe roman van Paulo Coelho verschenen, De beschermengel: het waargebeurde verhaal van een man en een vrouw die de woestijn in trekken om contact te maken met hun beschermengel.

Fragment uit De beschermengel

Proloog

J. en ik troffen elkaar in een restaurant aan het strand van Copacabana, in Rio de Janeiro. Blij en enthousiast, zoals een schrijver is die op het punt staat zijn tweede boek uit te brengen, overhandigde ik hem een kopie van De alchemist. Ik zei dat ik het boek aan hem had opgedragen, mijn manier om hem te bedanken voor alles wat ik geleerd had in de zes jaar dat we met elkaar waren opgetrokken.
Twee dagen later bracht ik hem naar de luchthaven. Hij had ondertussen al een deel van het manuscript gelezen en attendeerde me op een bepaalde zin: ‘Alles wat één keer gebeurt, gebeurt misschien nooit weer. Maar als iets twee keer gebeurt, gebeurt het zeker een derde keer.’ Ik vroeg wat hij daarmee zeggen wilde. Hij vertelde me dat ik al bij twee eerdere gelegenheden de kans had gehad mijn droom te verwezenlijken, maar dat ik beide kansen om zeep had geholpen. Hij citeerde een fragment uit een gedicht van Oscar Wilde:

We maken steeds kapot wat ons het liefste is
Allemaal doen we dat, weet dat wel;
Sommigen doen het met een bittere blik
Anderen met een vleiend woord;
Lafaards doen het met een kus,
De moedigen met het zwaard.

Ik vroeg wat hij daarmee zeggen wilde. J. stelde voor dat ik naar een afgelegen plek zou vertrekken en daar de Geestelijke Oefeningen van de Heilige Ignatius van Loyola zou praktiseren, vooral omdat succes mensen zich niet alleen gelukkig maar tegelijkertijd schuldig laat voelen: ik moest voorbereid zijn op wat me vanaf nu te wachten stond.
Ik antwoordde dat het een van mijn dromen was veertig dagen in een woestijn door te brengen. Hij vond dat een uitstekend idee. Hij stelde voor dat ik naar de Mojavewoestijn, in de Verenigde Staten, zou gaan, hij kende daar iemand die me zou kunnen helpen om dat wat me lief is – mijn werk – te accepteren.
Het resultaat van deze ervaringen staat beschreven in dit boek. De gebeurtenissen die ik in De beschermengel beschrijf, voltrokken zich tussen 5 september en 17 oktober 1988. Soms ben ik van de chronologische volgorde afgeweken en twee keer heb ik van fictie gebruikgemaakt, maar alleen om de lezer een beter inzicht te geven in de behandelde thematiek. De feiten echter, waar het om draait, zijn waargebeurd. De brief waaruit ik in de epiloog van het boek citeer, staat bij het register voor akten en documenten, het Cartório de Títulos e Documentos, te Rio Janeiro, geregistreerd onder nummer 478038.

De beschermengel

Hij zat al bijna zes uur achter het stuur. Voor de honderdste keer vroeg hij aan zijn vrouw naast hem of ze wel op de goede weg zaten.
Voor de honderdste keer raadpleegde ze de kaart.
Ja, het was de goede weg, ook al was alles om hen heen groen, stroomde er een prachtige rivier en stonden er bomen langs de route.
‘We kunnen het best bij een benzinepomp stoppen en het daar vragen,’ zei zij.
Zonder te praten reden ze verder, luisterden naar oude liedjes op de radio. Chris wist dat ze niet bij een benzinepomp hoefden te stoppen, want ze zaten goed – zelfs al deed het landschap vermoeden dat ze helemaal fout zaten. Maar ze kende haar man wel: Paulo was gespannen, vertrouwde het niet, vond dat ze niet goed kaart las. Hij zou geruster zijn als ze het ergens zouden vragen.
‘Waarom zijn we eigenlijk hiernaartoe gegaan?’
‘Om de opdracht uit te voeren.’
‘Een vreemde opdracht,’ zei zij.
Inderdaad erg vreemd, dacht hij.
Praten met zijn beschermengel.
‘Je gaat met je engel praten,’ zei ze een poos later, ‘maar wat dacht je ervan om in de tussentijd af en toe met mij te praten?’
Hij zei nog steeds niets, geconcentreerd als hij was op het asfalt, en misschien dacht hij dat ze hem de verkeerde weg op had gestuurd. Aandringen zal niet helpen, dacht ze bij zichzelf. Ze hoopte vurig dat er gauw een benzinepomp zou komen; ze waren vanaf het vliegveld geen enkele keer gestopt – ze was bang dat Paulo oververmoeid was en achter het stuur in slaap zou sukkelen.
En die klereplek kwam maar niet.
Ik had een ingenieur moeten trouwen, zei ze bij zichzelf.
Ze zou er nooit aan gewend raken, aan dat steeds alles ineens achterlaten, achter heilige wegen, zwaarden en gesprekken met engelen aan moeten gaan, en al het mogelijke moeten doen om maar vooruit te komen op de weg van de magie. Maar hij had altijd al die manie gehad van dat alles achterlaten, dacht ze, ook voordat hij J. tegenkwam.
Ze dacht aan de dag dat ze voor het eerst samen uitgingen.
Ze waren dezelfde avond nog met elkaar naar bed gegaan en binnen een week had zij haar tekentafel al naar zijn appartement verhuisd. Gezamenlijke vrienden zeiden dat Paulo een heks was, en op een avond had Chris de dominee van de kerk waar ze kwam, opgebeld en hem gevraagd voor haar te bidden.
Maar het eerste jaar had Paulo het nooit over magie gehad, niet één keer. Hij werkte bij een platenmaatschappij en dat was het.
Het jaar daarop ging het leven op dezelfde manier verder. Hij nam ontslag bij de ene platenmaatschappij om te gaan werken bij een andere.
Het derde jaar nam hij opnieuw ontslag (die manie van het alles achterlaten!) en ging tv-programma’s schrijven.
Zij vond dat raar, ieder jaar van baan veranderen – maar hij schreef, verdiende geld en ze hadden een goed leven.
Totdat hij aan het eind van het derde jaar weer besloot zijn baan op te zeggen. Een verklaring gaf hij niet, hij zei alleen dat hij er genoeg van had, van wat hij deed, en dat het niet opschoot voortdurend ontslag te nemen en van baan te veranderen. Hij moest er eerst maar eens achter zien te komen wat hij wilde. Ze hadden wat geld gespaard en besloten de wijde wereld in te gaan.
Met de auto, net als nu, dacht Chris.
En ze hadden J. ontmoet in Amsterdam, toen ze koffie dronken in Hotel Brouwer en uitkeken over het Singel.
Paulo was bleek geworden toen hij hem zag, nerveus.
Maar uiteindelijk had hij moed gevat en was naar het tafeltje gestapt van die lange, grijze heer in kostuum.
’s Avonds, toen ze weer met zijn tweeën waren, had Paulo een hele fles wijn gedronken – hij kon niet goed tegen drank en was al snel dronken geweest – en toen pas had hij verteld dat hij zeven jaar bezig was geweest zich te bekwamen in de magie (hoewel ze dat al wist, vrienden hadden het haar verteld). Maar om de een of andere reden – die hij niet had verteld, ook al had ze hem er verschillende keren naar gevraagd – was hij daar ineens mee gestopt.
‘Maar twee maanden geleden, in het concentratiekamp van Dachau, heb ik een visioen gehad,’ had hij gezegd, ‘van deze man,’ had hij erachteraan gezegd, waarbij hij J. bedoelde.
Ze herinnerde zich die dag in Amsterdam. Paulo had veel gehuild, en gezegd dat hij een roep hoorde, maar niet wist of hij er gevolg aan moest geven.
‘Moet ik terugkeren naar de magie?’ vroeg hij.
‘Ja,’ was haar antwoord geweest, maar zeker was ze daar niet van.
Sinds de ontmoeting met J. was alles anders geworden.
Er waren dingen als rituelen, oefeningen, opdrachten.
Er waren lange reizen met J., steeds zonder vaste datum van terugkeer. Er waren lange bijeenkomsten met vreemde mannen en knappe vrouwen, en allemaal hadden ze een enorm sensuele uitstraling. Er waren beproevingen, lange nachten waarin niet geslapen werd, en lange weekends waarin ze geen moment buiten kwamen.
Maar Paulo was veel gelukkiger – nam niet steeds weer ontslag. Ze begonnen samen een kleine uitgeverij en hij slaagde erin een oude droom te verwezenlijken: boeken schrijven.

Verkrijgbaar via uitgeverij ‘ de arbeiderspers’, en o.a. bij alle Bruna fillialen.

Leave a comment